In 2012 kreeg een vrouw die solliciteerde naar een functie als winkelmedewerkster in Dordrecht a blunt rejection (een botte afwijzing): „Het spijt ons, maar je bent te oud en te duur voor ons. We zoeken medewerkers onder de 23 jaar.”
Op het eerste gezicht is dit antwoord een duidelijk geval van leeftijdsdiscriminatie. Toch wordt het in Nederland wettelijk ondersteund door de geïnstitutionaliseerde jeugdloonschaal. Op grond van het Besluit minimumloon voor jongeren hanteert de Nederlandse overheid een leeftijdsafhankelijk beloningssysteem waarin jonge werknemers wettelijk slechts een fractie van het minimumloon voor volwassenen ontvangen. Vanaf 2026 verdient een 20-jarige slechts 80% van het wettelijk minimumloon. Dat percentage daalt sterk met de leeftijd: 19-jarigen ontvangen 60% en 18-jarigen verdienen slechts de helft van het uurloon van een 21-jarige voor het verrichten van hetzelfde werk. Hoewel de leeftijdsgrens in 2019 werd verlaagd van 23 naar 21 jaar, blijft het onderliggende principe ongewijzigd.
Wat wordt gepresenteerd als een beleid ter bevordering van de werkgelegenheid voor jongeren, bestendigt in werkelijkheid ongelijke beloning voor gelijk werk, waarbij de financiële last van bedrijven naar jonge werknemers wordt verschoven. Een systeem dat lonen verlaagt louter omdat een groep mensen onder een bepaalde leeftijd valt, behandelt hen allemaal als inherent minder waardevol, ongeacht hun vaardigheden of bijdrage.
Gelijk werk, ongelijke beloning
Jongeren verdienen een waardig loon voor het werk dat ze verrichten. De kern van die waardigheid wordt gevormd door een eenvoudig en algemeen aanvaard beginsel: gelijk loon voor gelijk werk. Als twee personen dezelfde taken uitvoeren, onder dezelfde omstandigheden, mag hun beloning niet afhangen van willekeurige kenmerken zoals leeftijd.
Het Nederlandse systeem van jeugdloonschalen is in strijd met dit principe. Het benadeelt jonge werknemers, niet vanwege verschillen in productiviteit of verantwoordelijkheid, maar puur vanwege hun leeftijd. Een 18-jarige en een 21-jarige kunnen naast elkaar staan, identiek werk verrichten volgens dezelfde normen, en toch een enorm verschil in loon ontvangen. Het beleid trekt scherpe, rigide scheidslijnen —18, 19, 20, 21— zonder enige duidelijke morele of praktische rechtvaardiging voor waarom een werknemer van de ene op de andere dag plotseling ‘waardevoller’ wordt.
Sommigen beweren dat het betalen van lagere lonen aan jongere werknemers hen aantrekkelijker maakt voor werkgevers. Maar deze bewering is gebaseerd op onzekere grond. Empirisch onderzoek naar de relatie tussen jeugdlonen en arbeidsresultaten is gemengd en niet eenduidig. Er is geen duidelijke consensus dat het drukken van de beloning daadwerkelijk de kansen op werk voor jongeren verbetert. In plaats daarvan ontmoedigt het sparen en financiële onafhankelijkheid, waardoor de cycli van ondertewerkstelling onder jongeren worden versterkt.
Een systeem dat vervangbaarheid beloont
De gevolgen van het koppelen van beloning aan leeftijd reiken veel verder dan alleen de individuele lonen. Door een korting op jonge werknemers te institutionaliseren, zorgt dit beleid niet alleen voor lagere inkomsten, maar beïnvloedt het ook het gedrag van werkgevers en veroorzaakt het verstoringen op de arbeidsmarkt. Bedrijven worden gestimuleerd om voorrang te geven aan jongere medewerkers vanwege hun lagere kosten, waardoor een vicieuze cirkel ontstaat waarin werknemers goedkoop worden aangenomen en vervolgens worden vervangen of ontslagen zodra ze de drempels voor een hoger loon naderen.
Deze perverse prikkels zijn het meest uitgesproken in laagbetaalde sectoren, waar jonge werknemers sterk geconcentreerd zijn en de druk om de arbeidskosten te minimaliseren het grootst is. Uit gegevens uit Nederland, waaronder de studie “Happy Birthday, You’re Fired!” (gefeliciteerd met je verjaardag, je bent ontslagen), blijkt dat het stapsgewijze jeugdloon leidt tot een piek in het aantal ontslagen in de maanden voordat werknemers recht krijgen op een hoger minimumloon, ook al blijven hun vaardigheden en productiviteit ongewijzigd.
Sommigen beweren dat de lagere lonen voor jongeren te wijten zijn aan een lagere productiviteit of aan de kosten van opleiding op de werkplek. Deze veronderstellingen gaan echter zelden op in de sectoren waar jeugdlonen het meest voorkomen. In veel sectoren met lage lonen, zoals de detailhandel, de horeca en fastfood, is het werk relatief laaggeschoold en neemt de productiviteit niet significant toe met de leeftijd. Een 18-jarige die schappen vult of klanten bedient, is vaak net zo productief als een 21-jarige die dezelfde taken uitvoert. De opleiding voor deze functies duurt doorgaans slechts enkele dagen, terwijl loonverlagingen van 30-50% maanden of zelfs jaren kunnen aanhouden, wat de werkelijke opleidingskosten ver overstijgt.
Jonge werknemers zijn vaak studenten met een bijbaantje, dus hen minder betalen wordt in de neoliberale logica als onschadelijk voorgesteld. Maar deze logica maskeert het bredere structurele probleem. Of het nu tijdelijk is of niet, de bijdrage van een werknemer heeft waarde, en hun onderhandelingsmacht mag niet bepalen of ze eerlijk worden beloond. Dezelfde logica zou kunnen worden toegepast op elke groep met een zwakkere positie op de arbeidsmarkt – migranten, langdurig werklozen of oudere werknemers – wat suggereert dat inzetbaarheid afhangt van het accepteren van minder voor hetzelfde werk. Wetgeving inzake het minimumloon is juist bedoeld om deze dynamiek te voorkomen. Door de beroepsbevolking te segmenteren en degenen met de minste onderhandelingsmacht onder te betalen, bestendigt het jeugdloon ongelijkheid, waardoor onderbetaling een voorwaarde voor werk wordt in plaats van een uitzondering.
Bovendien vermindert het loskoppelen van lonen en productiviteit de motivatie van jonge werknemers om vaardigheden te ontwikkelen en draagt het bij aan een afname van het moreel en de werktevredenheid, wat uiteindelijk de productiviteit schaadt. Als het doel is om jongeren op een zinvolle en duurzame manier in de arbeidsmarkt te integreren, is een systeem dat hun vervangbaarheid beloont fundamenteel contraproductief, ook al blijft het winstgevend voor werkgevers.
Overheidsgeld, particulier gewin
Deze cyclus van vervangbaarheid is soms versterkt door overheidsbeleid. Tot voor kort compenseerde de Nederlandse staat, via gerichte regelingen zoals Jeugd-LIV (uitkering voor jonge werknemers met een laag inkomen), werkgevers voor het aannemen van laagbetaalde jongeren van 18 tot 21 jaar. Overheidsgeld werd dus gebruikt om bedrijven te ondersteunen die al profiteerden van lagere lonen, terwijl de werknemers zelf onderbetaald bleven.
Critici van het verhogen van de jeugdlonen stellen vaak dat hogere lonen de werkgelegenheid zouden schaden. Op het eerste gezicht lijkt dit argument redelijk. Als arbeid duurder wordt, zou de vraag kunnen dalen. Maar de feiten vertellen een ander verhaal. Het Centraal Planbureau onderzocht de verhoging van het minimumloon voor 20- tot 22-jarigen in 2017 en constateerde geen negatief effect op de werkgelegenheid. Integendeel, het aantal gewerkte uren nam licht toe, waardoor de totale inkomsten van jonge werknemers stegen. Wat dit eigenlijk laat zien, is dat het jeugdloon niet bedoeld is om de werkgelegenheid te beschermen. Het is een beleid dat ongelijkheid bestendigt, bedrijven beloont voor het betalen van lagere lonen en jonge werknemers in de steek laat.
Tijd om er een einde aan te maken
Een grote meerderheid van het Nederlandse publiek ziet inmiddels in dat het huidige systeem op uitbuiting is gebaseerd. Uit onderzoek van Ipsos I&O, uitgevoerd in opdracht van FNV Jong & United, blijkt dat 84% van de Nederlanders vindt dat 18-jarigen recht moeten hebben op het volledige minimumloon.
Jarenlang leverden pogingen om het systeem te hervormen weinig vooruitgang op. Daar kwam verandering in toen de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) een langdurige campagne startte om jongeren bewust te maken en te mobiliseren. Door het onderwerp op de politieke agenda te zetten, hebben ze bijgedragen aan de recente verhogingen van de jeugdlonen.
Hoewel de hervormingen een positieve ontwikkeling zijn, lossen ze het onderliggende probleem niet op. Nederland loopt nog steeds achter op zijn Europese tegenhangers. In landen als Duitsland en Frankrijk verdienen 18-jarigen al een volwassen salaris, terwijl jonge werknemers in Nederland nog steeds een lager loon ontvangen. Zolang leeftijd bepalend blijft voor het loon voor identiek werk, blijft deze onrechtvaardigheid stevig verankerd.
MERA25 is voorstander van een volledige afschaffing van leeftijdsgebonden loonschalen. Vanaf 18 jaar moet elke werknemer hetzelfde minimumloon ontvangen, zonder uitzonderingen.
Om dit te bereiken zijn voortdurende druk, politieke wil en aanhoudende publieke betrokkenheid nodig. Maar het doel zelf is duidelijk: een eerlijke arbeidsmarkt kan niet worden gebouwd op structurele ongelijkheid. Als we waardigheid, eerlijkheid en gelijke kansen serieus nemen, dan moet dit principe zonder compromissen worden toegepast. Hetzelfde werk doen mag nooit leiden tot een lager loon, alleen vanwege je leeftijd.
Do you want to be informed of DiEM25's actions? Sign up here




